In mijn vorige blog citeerde ik uit een artikel over A.N. Wilson. Over, zoals ik dat interpreteer, verlangen dat opgeroepen wordt door zijn ontmoeting met bepaalde gelovigen. Tegelijk is er ook die andere kant. Want dezelfde Wilson beschrijft als onderdeel van dingen waar hij nog mee worstelt: "Ik heb ook een grondige hekel aan de intolerantie en het moralisme van veel christenen, en voel meer sympathie voor eerlijke twijfelaars dan voor hen."
Voordat we deze uitspraak om zeep helpen door te stellen dat in deze grondige hekel ook een intolerantie schuil gaat, wil ik de werkelijkheid die er achter schuil gaat graag laten staan. En ik merk in gesprekken en ontmoetingen met mensen vaak dat 'verlangen' juist niet opgeroepen wordt in kerken en door gelovigen, maar eerder daarbuiten. Ik geloof dat er in de kern van christelijk geloof een drempel zit waar een mens over kan struikelen, maar dat heel veel drempels die mensen opwerpen, verward worden met die ene drempel.
Nu is het één stap om eerst maar eens al die onnodige drempels weg te nemen. Maar daarna, of tegelijkertijd is een tweede stap nodig. Een beweging terug vanuit de kern. Dat geloof niet alleen beleden maar ook geleefd wordt. Dat een overtuiging ook werkelijkheid wordt in het alledaagse leven van individuen en gemeenschappen.
Een inspirerend voorbeeld is mijns inziens Moeder Teresa. Een vrouw die haar overtuiging handen en voeten gaf, en tegelijk geen behoefte had de kerk te verdedigen,
sterker nog, ze antwoordde het volgende op een vraag over de kerk die haar gesteld werd: "Wat er toch mis is met de kerk? U, meneer, en ik."
Hoe kunnen die dingen samen gaan? Leven en werken vanuit een diepe overtuiging gecombineerd met een bijzondere openheid en nederigheid? Interessant is wat Tim Keller hier over schrijft in In alle redelijkheid: "Een van de paradoxen van de geschiedenis is de relatie tussen de overtuigingen en daden van de eerste christenen vergeleken met de overtuigingen en daden van de cultuur om hen heen. (...) De Grieks-Romeinse wereld was gewoon de armen te verachten, maar de christenen gaven gul, niet alleen aan hun eigen armen, maar ook aan die van andere godsdiensten. (...) Ten tijde van de verschrikkelijke epidemieën in de steden in de eerste twee eeuwen verzorgden de christenen alle zieken en stervenden, vaak ten koste van hun eigen leven.
Hoe kan het dat zo'n exclusief geloofssysteem leidde tot een houding en tot daden die zo open waren naar anderen? Omdat christenen in hun geloofssysteem beschikten over het sterkst mogelijke middel om opofferend te dienen, ruimhartig te zijn en vrede te stichten. In het hart van hun werkelijkheidsbeschouwing stond een man die voor zijn vijanden stierf en bad dat zij vergeven zouden worden. Het nadenken over deze man leidde onvermijdelijk tot een radicaal andere manier van omgaan met mensen die van hen verschilden. Dat betekende dat ze niet gewelddadig of onderdrukkend konden zijn ten opzichte van hun tegenstanders. We kunnen niet zomaar heenstappen over het feit dat de kerk onrecht heeft gepleegd in de naam van Christus. Maar wie kan ontkennen dat de kracht van de meest fundamentele christelijke overtuigingen een machtige stimulans kan zijn voor het stichten van vrede in onze verscheurde wereld?" (Pagina 41/42)
Laatste reacties